| Thema: over echte ommekeer
Bijbel-lezingen:
Deuteronomium 32, 8-18 en 36-39
Marcus 1, 40-45
Preek
Inleiding
Opnieuw stapt het boek Deuteronomium met zevenmijlslaarzen door eeuwen en eeuwen geschiedenis heen. Dat gaat in het Hebreeuwse denken sowieso wat gemakkelijker omdat daar alles met alles samenhangt. De ballingen in Babel, die op het punt staan naar het beloofde land terug te keren, worden de oude woorden van Mozes nog eens voorgehouden, die hij 700 jaar eerder bij de uittocht uit Egypte had gesproken. Mozes die als een soort afscheidsrede zijn volk nog eenmaal toespreekt, voordat hij op de berg Nebo zal sterven, waarna het volk Israël onder leiding van Jozua het land in bezit gaat nemen. En ook Mozes kijkt in zijn afscheidsrede terug naar wat weer 700 jaren eerder was gebeurd met aartsvader Jakob – u weet wel de zoon van Isaäc en kleinzoon van Abraham – en ver daar weer voor. En dat alles onder het motto, dat God de Allerhoogste is en dat Hij gisteren en vandaag dezelfde is en dat ook morgen zal zijn. In feite zit Hij achter alles wat gebeurt in de geschiedenis. Zijn volk is geen speelbal van wereldmachten, maar is veilig onder Zijn vleugels omdat de Allerhoogste ook boven de wereldmachten staat.
Het volk Israël door de eeuwen heen
Eigenlijk is dat het belangrijkste thema van het geloof der vaderen in het hele Oude Testament. Onze God is Heer over alle machten en krachten in de hemelen en hier op aarde. Hij heeft het alles geschapen op een wonderlijk mooie manier. Hij heeft de volkeren op een gegeven moment van elkaar gescheiden en aan elk grond toebedeeld als erfdeel. En Hij heeft dat zo gedaan dat er ook nog een stukje grond over was voor Zijn volk Israël. Het volk dat Hij aan de kinderloze Abraham als nageslacht had beloofd en dat met Jakob nog niets van een volk weg had. Ook al had Jakob twaalf zonen, die later de stammen van Israël zouden worden, op het moment dat de Allerhoogste hem vond in een dorre woestijn, een niemandsland vol gevaren, waren die zonen er nog niet. En ook later, toen de familie Jakob in dat niemandsland als nomaden ronddoolde, had het nog weinig van een volk. Sterker nog, ze moesten uitwijken naar Egypte om niet van de honger om te komen. Pas na 400 jaar was het nomadenvolkje tegen de verdrukking van wrede farao’s in uitgegroeid tot een talrijk volk dat onder leiding van Mozes op weg ging naar het beloofde land. En al die tijd heeft de Allerhoogste Zijn volk omringd met zorg en liefde, het gekoesterd als zijn oogappel. Als een arend over zijn jongen zo heeft Hij over hen gewaakt en hen gedragen op Zijn vleugels als ze dreigden te pletter te vallen. Het goede hebben ze mogen genieten in het beloofde land en wel in overvloed.
Maar Israël werd vadsig en vet, raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn Schepper en versmaadde zijn stut en steun, zijn rots. En ze tergden Hem met vreemde goden. Israël ging z’n eigen weg. En dat herinnerden de ballingen in Babel zich nog maar al te goed. Ze hadden gedacht dat ze onschendbaar waren met de Allerhoogste aan hun zijde. Ze hadden gedacht dat ze daarom wel alles konden maken en zich niet meer precies aan zijn geboden en inzettingen hoefde te houden. Want God is immers barmhartig en genadig. Jazeker, totdat je Hem de rug toekeert en andere dingen veel belangrijker gaat vinden dan te leven vanuit Zijn Geest van liefde en toewijding. Dan roep je de ellende als het ware over jezelf af. Als je alles zelf denkt af te kunnen en je Zijn liefdevolle zorg niet meer nodig denkt te hebben, dan moet je dat op een gegeven moment ook gewoon. Hij laat je zwemmen. Net zo lang tot je ontdekt dat je toch niet zonder kunt. Het volk Israël werd daarvoor in gevangenschap naar Babel weggevoerd, maar je kunt er ook op allerlei andere manieren achter komen. Meestal is dat niet zo leuk, meestal zit je dan bij de puinhopen van je eigen bestaan, in grote psychische nood of in een ander soort duisternis. Dan pas blijkt dat al die goden die je hebt vereerd – macht, positie, eer, bezit, invloed, ga zo maar door – je nu niet meer helpen. Vadsig word je ervan en vet, dik en rond, zelfgenoegzaam en arrogant, star en onbuigzaam, angstig en onzeker. Maar het is wel het moment om je om te keren naar die vergeten God en je weer open te stellen voor Zijn rijke overvloed, die nou eenmaal bij Hem hoort.
Shoev - ommekeer
Ik denk dat het zinvol is om eens even stil te staan bij het begrip bekering, waar we hier op stuiten, omdat het in de bijbel toch een andere lading heeft dan die wij er doorgaans aan geven. Bekering in de bijbel is veel meer dan een verandering in het denken over God of over jezelf, meer dan lid te worden van een kerk of ander gelovig clubje. Het Hebreeuwse woord shoev, dat hiervoor wordt gebruikt, betekent je omdraaien en terugkeren naar de God die je was vergeten. Het betekent je opnieuw openen met je hele wezen – lichaam en ziel, denken en doen, voelen en geloven – je opnieuw openen voor de ongekende rijkdommen die de Allerhoogste aankleven en die Hij je gratis voor niks wil geven. Hij vergeeft je alles wat je verkeerd hebt gedaan en je mag opnieuw met Hem op weg naar een mooie toekomst.
De deuteronomistische theologie en geschiedschrijving, die met de hervormingsbeweging van koning Josia voor de ballingschap al was begonnen (verbonden met bron Dtn), zijn hier belangrijk geweest. Al was het alleen maar om duidelijkheid te scheppen over wat nou wel en wat niet naar de wil God is. Dat God liefde is, genadig en barmhartig, dat staat buiten kijf, alleen hoe gaan wij daar mee om. In feite zijn er maar twee mogelijkheden: accepteren of afwijzen. En beide alternatieven hebben hun eigen gevolgen: liefde of haat, zegen of vloek, leven of dood. Dit heeft het voordeel dat het helderheid schept, maar het nadeel dat alles – en ook de Allerhoogste – wel heel precies wel wordt vastgelegd, is uit te rekenen en te voorspellen. God wordt daarin een vergeldende God die wordt gereduceerd tot wetjes en regeltjes. Dat zal later in de wijsheidsliteratuur (verbonden met bron P = Priestercodex) wel weer recht getrokken worden. In het boek Job bijvoorbeeld krijgt God weer mysterieuze en universele trekken die ver uitstijgen boven het menselijk begrip. Maar nu is het zaak dat de liefde van God handen en voeten krijgt in de praktijk van dagelijkse leven en dus door de ballingen in Babel goed moet worden begrepen.
Je gaat leven vanuit Gods liefde en ervan uitdelen, en zo wordt het leven goed. Want de Heer zal Zijn volk recht doen, zegt Mozes, Hij ontfermt zich weer over Zijn dienaren. Als Hij zal zien dat alle krachten je begeven en weldra iedereen bezwijkt zal Hij er zijn. Hij zal je lot delen en mee de duisternis ingaan om je eruit te halen. Welke god doet zoiets? Maar één. De Allerhoogste God van onze vaderen, van ons en van ons nageslacht. De Allerhoogste God die Zijn onbeduidend volkje de eeuwen door heeft gekoesterd als zijn oogappel en door Zijn relatie met hen aan de hele wereld wil laten zien dat Hij het goede voorheeft met alle volkeren, met heel Zijn schepping. En de ballingen in Babel bekeerden zich en gingen met een nieuw vertrouwen en met nieuwe moed voor de tweede keer in de geschiedenis van het volk van God op weg naar het beloofde land.
God gaat mee de duisternis in
Als je de verhalen van Jezus leest – zo’n 500 jaar na de ballingschap – dan lijkt de geschiedenis zich opnieuw te herhalen. Wat de Allerhoogste deed voor de ballingen in den vreemde doet Jezus voor de melaatse man. Melaatsen werden uit de gemeenschap gestoten, moesten in grotten buiten de stad wonen, omdat iedereen bang was om besmet te worden. Hun ziekte was niet alleen lichamelijk vreselijk pijnlijk, het bezorgde hen ook nog een sociaal isolement. Het leven in de gemeenschap was voor hen taboe. Jezus kreeg medelijden met hem, zo staat er, Hij raakte innerlijk bewogen en wel zo dat Hij in de duisternis stapt van die ongelukkige man en zijn lot wil delen. Jezus is niet bang voor besmetting en raakt de melaatse aan. Ik wil het, word rein. En meteen was de man genezen.
Maar dan komt het. De genezen man moet naar de priester om zich genezen te laten verklaren en zodoende aan de voorschriften in de wet van Mozes te voldoen. En, mondje dicht, je bent gewoon genezen, klaar punt uit. Maar ja, waar het hart vol van is stroomt de mond van over en de genezen man bazuint luid en duidelijk rond dat Jezus hem genezen heeft. En daardoor komt Jezus in een soort sociaal isolement terecht. Marcus vertelt dat als gevolg van deze berichten Jezus niet meer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest verblijven. Zoals de melaatsen dat moesten. Jezus deelt echt het lot van de ongelukkige mensen aan wie hij een nieuwe toekomst geeft. Zoals de Allerhoogste dat eeuwen en eeuwen al had gedaan stapt ook Hij dwars door alle muren en grenzen die mensen tussen elkaar optrekken heen en betreedt hun duisternis. Daar raakt Hij mensen in hun hart, daar geeft Hij nieuwe perspectieven als het leven uitzichtloos is geworden, daar komen mensen weer in beweging door de wonderlijke kracht van Gods liefde.
Keer je om naar de liefde van God
En nu weer tweeduizend jaar later kunnen we ons nog steeds omkeren, ons openen met heel ons wezen voor die wonderlijke kracht van Gods liefde en alle ongedachte rijkdommen die daaraan verbonden zijn. Het leven is niet volmaakt. Eén keer journaal per dag is genoeg om je bewust te maken van alle ellende die de wereld overspoelt. Om moedeloos van te worden. De verleiding is groot om angstig weg te kruipen in je eigen donkere hoekje, maar daar word je dan nog meer met je zelf geconfronteerd. Maar zegt de bijbel dan, houd moed, want nu heb je het moment bereikt om je open te stellen voor de liefde van God. Hij komt je in je duisternis bezoeken en je een nieuw hart geven. Hij laat je niet aan je eenzame bittere lot over, maar draagt je op zijn vleugels als je dreigt te pletter te vallen. Hij deelt je lot en brengt daarin een keer. Keer je niet af van Zijn liefde, maar laat haar stromen door heel je wezen en deel er van uit aan wie het maar wil ontvangen. Het zal je leven veranderen, en wel ten goede. Echt.
Voorbeden
Lieve God,
Wij danken U voor Uw Woord, waarin U ons laat zien dat U eeuwig dezelfde bent en met mensen meetrekt door de tijd. Dat U hen eeuw na eeuw na eeuw uit uitzichtloze situaties redt en elke keer weer opnieuw nieuw vertrouwen en nieuwe moed geeft door hen Uw liefde te laten ervaren in hun eigen hart. Heer dat willen wij ook graag, want wij geloven dat U dat ook vandaag de dag nog doet. U kent ieder van ons persoonlijk en weet wat we nodig hebben. Voor iedereen zal bekering, het omkeren met heel ons wezen naar de rijkdom van Uw liefde wat anders betekenen. Ga zo met ieder van ons Uw weg, zodat de liefde gaat stromen, de vrede gaat groeien en ook onze gemeenschap in Jezus Uw Zoon een baken wordt van licht in een donkere tijd, een prachtig lied midden in de cacafonie van het wereldtoneel, een doorgeefluik van Uw rijke zegen.
Wees met ieder van ons voor wie het leven moeilijk is. We willen stilstaan bij hun nood en hen opdragen aan U. Wees met allen die rouwen, wees met allen die eenzaam zijn, in psychische nood, in materiele nood of in geestelijke nood. Heer breek er door heen met Uw liefde, geef kracht naar kruis en moed en blijdschap, waar dat maar kan. Wees met ons als we stil worden voor U en vul ons met U warme nabijheid.
Stil gebed
Onze Vader.
Ik zou het leuk vinden als je op de gedachten in deze preek of in andere preken wilt reageren. Op de vaste pagina Preken vind je een overzicht van alle preken, die je elk afzonderlijk kunt aanklikken. |
Geachte heer Vaessen,
Ik kan U gewoon niet genoeg vertellen, hoe blij ik ben dat ik U
op internet gevonden heb. Vandaag heb ik grote delen van Uw preek
weergegeven voor de weeksluiting. Dit n.a.v. opdracht van de Heer in de
tempel.Dat wij het licht mogen zien zoals Simeon het zag in zijn armen.
Ommekeer, Bekering. Nogmaals mijn hartelijke dank voor Uw prachtige
teksten.
Justine Nederlof, Heijningen.
Comment door Justine Nederlof — februari 2, 2009 @ 4:57 pm |